|

Door Bert Gravemaker
Vrijwel alles is onzeker in het leven en daarom klamp ik me met wanhopige verknochtheid aan één zekerheid vast: dat muziek -en dan vooral die van koperblazers- een bevrijdende en troostende tranenstroom teweeg kan brengen. Het is niet helemaal eerlijk, maar ik zoek zo’n ervaring -waar mogelijk- op en bewaar die in mijn hart. Zo kan ik er, soms jaren daarna, nog een paar tranen om laten bij de herinnering. In 1989 in het plaatsje Sheringham aan de Engelse oostkust aten we een ‘basket meal’. Zo’n basket meal bestond uit onduidelijke, vissige oliebollen en slappe, bleke, met azijn besprenkelde frieten. Om daar een beetje van bij te komen liepen we naar de zee. We verwachtten er ook de zon onder te zien gaan, maar dat gebeurde niet, omdat het aan de oostkust was. Maar wel kwam de Salvation Army aangemarcheerd. Voorop liepen drie vaandeldragers, gevolgd door een in miniatuur uniform gehuld, ongeveer achtjarig jongetje. Hij had maar anderhalf armpje, waarin hij de tekstboekjes droeg. Gepreekt werd er niet; ze stelden zich op, de dirigent hief zijn stokje en zetten in. De vrouwen hieven hun tamboerijnen, waarvan de kleurige linten wapperden in het late licht en zongen tweestemmig een vrolijke mars, waarvan in mijn herinnering elke even regel eindigde op: ‘Are you washed in the blood of the lamb?’ Daarna speelden ze “Abide with me’ en de vrede met het bestaan stroomde toen in zulke gulle stromen neer dat ik me de overige stukken niet meer herinner. “De kinderhand is gauw gevuld’, zal je zeggen, maar het is toch geen onzin te beweren dat muziek de kunstvorm bij uitstek is om onmiddellijke ontroering te wekken, in het ideale geval dus tranen; veel vanzelfsprekender dan een schilderij of een gedicht.
Nu ken ik wel het verhaal van een kunstenares die in haar Rietveldtijd, tijdens een kunstreis naar Rome, zo opgewonden raakte van de aanblik van de David, dat ze haar vervoering met een toevallig meegebracht marterharen penseel vervolmaakte, maar dat is toch een veel minder filharmonische ontroering dan die van het Leger des Heils. ‘Wat nou ontroering - nog geen maand geleden heb jij hier staan te beweren dat er in de muziek zoiets bestond als een ‘verbaal primaat’ in de muziek’ hoor ik je tegen werpen. Ja, dat is zo. En het is waarschijnlijk nog waar ook. Vorige week stond in de wetenschapsbijlage van NRC- Handelsblad nog een geleerd artikel over ritmevariaties in muziek van verschillende landen. Op grond van diepgaande studie van partituren en uitvoeringspraktijken is vastgesteld dat muziek van Fauré minder ritmische variabiliteit heeft dan die van Mozart of Bach, omdat die laatste twee Duits dachten bij het componeren. Wat ook opviel, was dat bv Japanners, hoe begaafd ook, er bijzonder lang over deden om die Duitse ritmiek onder de knie te krijgen. Maar hier gaat het dus over de onmiddellijke uitwerking van muziek op het gemoed -zonder tussenkomst van taal. Er zijn natuurlijk mensen die een libretto, of een tekstboek meebrengen, wanneer ze naar een opera of oratorium gaan. Maar van de schrijver Willem Elsschot is bekend dat hij in plaats daarvan extra zakdoeken meenam en zich door niemand liet vergezellen teneinde niet in zijn ontroering betrapt te worden. En zo vergaat het vele stille weners. Thé Lau staat bekend als een emotionele singer-songwriter. Maar ik weet niet hoe het anderen vergaat, maar -al slaan ze me dood- ik kan er vrijwel nooit een woord van verstaan, hoewel ik toch ontroerd raak. Hetzelfde geldt voor Shane Mc Gowan met zijn tandeloze, speeksel sproeiende zang. En wat te denken van liederen en liedjes in vreemde talen die je spreekt, noch verstaat: het Portugees, het Russisch, het Fries? In Lissabon bevond zich eens een klaarblijkelijke vrijgezelle schoolmeester onder het reisgezelschap: hij droeg het baardje van meneer Foppe, een veelkleurig windjack, liep op sandalen met rode sokken eronder en torste twee zware camera’s op zijn buik. Een prettige man was hij niet, want hij bemoeide zich met iedereen en had overal kritiek op. ‘Jullie zitten hier maar te bierdrinken en te broodeten tusssen al die schoonheid’, verweet hij ons, toen hij het terrastafeltje passeerde waaraan wij zaten te lunchen. Maar in de late avond zagen we hem weer , in de Rua da Salitre.
Hij liep te huilen. Toen wij naar zijn toestand informeerden, antwoordde hij dat hij een fadorestaurant had bezocht. ‘Het was de wijn,’ riep hij snikkend uit, ‘het was de wijn.’ Zo benepen en geconditioneerd was zijn frikkenbrein dat hij een scheikundige oorzaak zocht voor wat de muziek bij hem teweeg had gebracht. Du holde Kunst
Terug
|