|

Door Bert Gravemaker
In het atelier van de ten onrechte vergeten klavecinist Jaap Spigt stonden onder andere twee vrijwel identieke klavecimbels. Op de klep van het ene stond gekalligrafeerd: In Principio erat Verbum, in den Beginne was Het Woord. Hij legde uit dat het zijn overtuiging was dat alle muziek, door taal werd gevoed, er zelfs op gebaseerd was. Ik weet niet meer of ik dat onmiddellijk van hem aannam, want in je jeugdigheid ben je meestal niet zo aannemerig. Maar er valt, als je erbij nadenkt natuurlijk wel het een en ander voor te zeggen: Toen Die Zauberflöte voor het eerst werd opgevoerd stond er prominent op de omslag van het programmaboekje vermeld: Singspiel von Emanuel Schikaneder. In een lullig 9 puntslettertje stond rechtsonder in de hoek dat de muziek van Amadée Mozart was. Kortgeleden was op de televisie een masterclass van Daniel Barenboim te zien. Een Franse, briljante jonge jongen speelde een sonate van Ludwig van Beethoven. Hij raakte in vervoering van zijn eigen spel en draaide al spelende zijn oogballen extatisch ten hemel. Barenboim liet hem even begaan, onderbrak hem daarna en vroeg met dat slepende stemgeluid van hem: ‘Waarom speelde je daar een forte -accent; de zin was toch nog lang niet af?
Of anders; een saxofonist - ik weet niet meer of het Frits Müller was of Fred Leeflang -voegde een bandlid eens korzelig toe: Schei nou toch eens uit met dat gefiedel; heb je geen verhaal op die toeter. Of de trombonist Frits Hotz -jarenlang samengespeeld met Frits Müller- die zichzelf graag als de Louis Couperus van het trombonespel beschouwde. En dan nog iets. Wereldmuziek is iets wezenlijk anders dan een wereldtaal. Alan Lomax heeft de hele aardkloot moeten bereizen om wereldmuziek bijeen te garen, maar de muziek van componisten die een wereldtaal spraken, wordt overal gespeeld en beluisterd. Yo Yo Ma en Lang Lang zijn niet inde eerste plaats beroemd om hun uitvoeringen van Japanse of Chinese werken. Daarvoor hadden ze bij Han Reiziger of Alan Lomax moeten zijn. In de aankondiging van De man die zijn hoofd afzette van Susies Haarlok staat nadrukkelijk vermeld dat het gaat om muziektheater dat ‘in de eerste plaats vanuit de muziek gedacht is’. En dat is zeer welsprekende muziek; dat hebben we kunnen horen. Maar heb ik nu een ernstig verschil van mening met Susies Haarlok over het primaat van taal of muziek? Misschien dat de volgende kleine historie iets verduidelijkt. Misschien ok niet.
Het frisse mooie meisje fietste in de buurt van Utrecht. Het was al middag en ze wilde naar de kust., maar dat was nog een heel eind. Volkomen onuitgenodigd kwam er een bromfietser naast haar rijden en die vroeg: ‘Waar moet je naartoe?’ Het schoot door haar heen dat hij ‘moet’ had gezegd i.p.v. “waar ga je naartoe’. Daar kwam bij dat ze hem, ondanks de verhullende bromfietshelm, meteen al een overduidelijke mislukkeling vond, een kneus. ‘Ik ga naar IJmuiden, naar mijn oom’ antwoordde zij voordat ze er erg in had, want wat had die lulhannes per slot van rekening met haar reisdoel te maken.
Daar had je het al: ‘Dan ga je zo niet goed, hoor; dan kom je in de wijken terecht.’ De wijken, de wijken, bevond ze zich nu dan niet in de wijken? ‘Als we hier linksaf gaan,’ teemde hij voort, dan kom je in het landschap. Dat lijkt een beetje om en dat is het misschien ook wel, maar windtechnisch is het stuk gunstiger. Jij moet tenslotte zelf trappen.’ Hoe het kwam, wist ze niet. Was ze toch onzeker over de route, was het haar aangeboren neiging om niemand teleur te stellen, of louter sloomheid van het moment. Zij kwam niet tot een slotsom en ze volgde hem. Inderdaad kwamen ze na enige tijd op een rustige, door wilgen omzoomde landweg waar het prettig fietsen was. ‘Kijk!’ riep hij: ‘Daar staat een harig wilgenroosje. Het groot hoefblad zal ook wel in bloei staan.’ Bij die uitroep greep hij even haar blote arm vast. De handpalm was nat en koud. Zij schudde de hand van zich af en ging sneller fietsen, maar dat had weinig zin zin tegen een brommer.
Hij reed zelfs een stukje voor haar uit, wees met ostentatief gestrekte arm en commandeerde: ‘Hier rechts!’ Daarna hield hij stil bij een bosschage. ‘Waarom?’ vroeg ze ’Omdat het korter is en nog veel mooier dan hier’ ‘Daar heb ik geen zin in’ zei ze.
De bromfiets stond dwars over weg. Ontkomen was zo goed als onmogelijk. In Nederland zijn altijd overal mensen, maar hier was in de wijde omtrek geen levende ziel te bekennen: geen melker, komend met zijn emmers van het land, geen boer op zijn fiets, geen grazend kalf, zelfs geen tractor in de verte.
Uit haar ooghoek zag zij het bloed bonken in zijn halsslagader. Zijn hand schoot toe. Hij betastte haar borsten en kneep erin. ‘Lul!’ krijste ze, ‘klootzak, kneus!’ Ze sloeg en trapte naar hem, wat nog niet eens eenvoudig was met die fiets tussen haar benen. Maar zij was dapper en had altijd veel aan judo en voetbal gedaan. Ze gaf hem zo’n welgerichte schop tegen zijn knie dat hij wankelde en bijna met bromfiets en al ter aarde stortte. ‘Oprotten!’ schreeuwde ze. En verdomd, daar ging hij er rechtuit vandoor op zijn armzalig knetterende voertuigje.
Ondanks haar overwinning waagde ze het niet hem te volgen. Zuchtend sloeg ze het bospad in. Ze was zo’n 200 meter gevorderd toen een wee-zure stank tot haar doordrong en niet lang daarna wist ze waar die vandaan kwam. Zij bevond zich op een vuilnisbelt.
Kijk. Wanneer dit meisje in een liedje van Alex van Warmerdam terecht was gekomen, dan had zich nu een helper met een gouden tand aangediend, die haar verkracht had en naar alle waarschijnlijkheid nog langzaam gewurgd ook. Maar nu niet. De zon neeg al ter kimme toen ze het de kust bereikte, waar ze verwelkomd werd met juichende feestmuziek.
Terug
|